Suchan Kinoshita 09/03/02 – 13/04/02


het moet dinsdag ochtend zijn geweest
(it must have been an early Tuesday)

“Een warme mannenstem fluistert: “‘s Ochtends ga ik even naakt voor de spiegel staan om mezelf te bekijken.” Het geluid is afkomstig van een ‘radiotafel’, een provisorisch in elkaar stekende, withouten tafel met een geperforeerd blad.
De intieme ontboezeming klinkt misplaatst in de cel-achtige ruimte waarin de spreekbuis zich bevindt. Slechts een eenvoudig peertje verlicht het kille hok van drie bij drie. Uit de muur steekt een schallende megafoon.
In de ruimte van Ellen de Bruijne Projects zijn drie van deze cellen aaneengeschakeld. Het ruwe hout en de piepschuimen plafonds en wanden geven het bouwsel een fragiel en vooral tijdelijk karakter. Het wachten lijkt te zijn op inspecteurs die het publiek, dat op vier stoelen om de tafel heen plaats kan nemen, zullen onderwerpen aan een pittig verhoor.
(…)
Het geluid speelt echter de hoofdrol. Niet geheel verwonderlijk want naast toneelervaring heeft Kinoshita aan de muziekacademie in Keulen gestudeerd (1981-85). De stemmen, soms onaards dan weer fluisterend, zijn de enige elementen die de installatie kleur geven. Een collage van door elkaar pratende mensen, ijselijke pijnkreten en gekreun weven een audio-tapijt dat de gehele ruimte stoffeert. Elke cel heeft een eigen stem: onder andere een vrouw met een zachte g en een man met een Duits accent. Als in een van de cellen gepraat wordt, klinkt in de andere twee zachte muziek of gekreun.
In de naakte constructie aan de achterkant en zijkanten van het bolwerk, toont Kinoshita zich een beeldhouwer/architect. E piepschuimen platen, de ruggegraat van het werk, zijn om de vijftien centimeter vasrgeet door telkens twee satéstokjes door het schuim te prikken. Op ingenieuze wijze is de middeleeuwse pen-gat-verbinding nieuw ingeblazen. Het doet ook denken aan de traditionele wijze waarop de geisha’s eeuwenlang hun haar vastmaakten.
Kinoshita geeft, zoals in eerder werk, ook hier een deel van haar eigen wereld bloot zonder die fysiek met het publiek te delen. Want in een etalage aan de achterkant is het zenuwcentrum van de installatie verscholen: een tafel met een computer die een mengpaneel en de geluidsapparatuur bestuurt. In de hoek ligt een matras met twee donzen kussens en een opengeslagen slaapzak. Woont Kinoshita hier tijdelijk?”
(…)
Bart Krieger, Het Parool, 9 maart 2002

“Suchan Kinoshita heeft iets met hokken. Haar beste en bekendste werk is een hok waarin zo’n tien zandlopers staan, in formaat variërend van vijftien centimeter tot bijna een meter. Stuk voor stuk zijn ze gevuld met een andere vloeistof. De toeschouwer gaat het hok in, sluit de deur, en mag de zandlopers vervolgens net zo vaak omkeren als hij wil. Een curieuze sensatie; tussen de kabbelende vloeistoffen en klokkende geluiden voelt de toeschouwer zich al snel een alchemist die tijd en stroming in z’n hand heeft.Kinoshita’s installatie het moet dinsdag ochtend zijn geweest omvat drie hokken van hout en piepschuim. Ieder hok bevat dezelfde voorwerpen. Aan de muur hangt een luidspreker, in het midden staat een tafel met een geperforeerd blad, eronder hangt een geluidsbox. Om de tafel staan drie appelgroene stoelen, erboven bungelt een kaal lampje. De crux van het werk zit echter in de scheidingswanden: die zijn van geperforeerd hardboard.
Wie een hok betreedt valt in een soort hoorspel, dat zich beter als een ‘geluidssfeercollage’ laat omschrijven. Er klinken stemmen die een verhaal lezen, flarden van teksten, maar soms ook muziek of het geluid van een dichtslaande deur. Gezamenlijk vertellen ze een onduidelijk verhaal over een hotelkamer, een man, een vrouw.
Pas na een tijdje begrijp je dat het geluid niet de hoofdmoot van het werk vormt. Zeker zo belangrijk is de ervaring van ruimte die Kinoshita wil oproepen, en een gevoel van ongrijpbaarheid. Dat bereikte ze in de eerste plaats doordat de geluiden in de hokken verschillen. Door het board kun je dat horen, zonder te weten welk geluid uit welk hok komt. Nog belangrijker is het ingenieuze spel met licht dat Kinoshita speelt. De peertjes in de hokken gaan onregelmatig aan en uit. Door het board zie je dat de buren hetzelfde gebeurt -maar niet helemaal. Gaat het licht in de buurhokken uit, dan zie je daar niets meer, is het aan, zie je de schimmen van de buren dolen, lopen, luisteren. Die onbestemde mix van geluiden en namaak-interactie met de buurhokken geeft een prachtig resultaat. Een verstilling die maakt dat de toeschouwer zich sterk bewust wordt van de onbereikbaarheid van de ruimtes waar hij niet is. Je kunt er weliswaar vrijelijk naartoe, maar de onbereikbaarheid wordt nooit opgelost – het hok van de buren is altijd appelgroener.
Met deze installatie heeft Kinoshita een middenweg gezocht tussen anekdotiek en een veel vager, abstract besef van ruimtelijkheid. En zowaar, ze heeft het glorieus gevonden.”

Hans den Hartog Jager, NRC Handelsblad, 15 maart 2002

Comments are closed.